Spijkerkwartier
 
Print
HyvesTwitterLinked InFacebookE-mail
 
 














 

Spijkerkwartier

Een korte inleiding in de geschiedenis van het Spijkerkwartier

Arnhem. De naam wordt voor het eerst in het jaar 893 aangetroffen in de goederenlijst van de abdij van Prüm. De plaats onstaat voor of rond de jaartelling als dorp aan wat destijds min-of-meer de zuidgrens van het Germaanse en de noordgrens van de Romeinse rijk was. De grens tussen beide gebieden liep langs Rijn en Nederrijn tot Katwijk aan Zee. Aan de Arnhemse linker oever van de Nederrijn liggen ruïnes van het in 1979 ontdekte castellum Meinerswijk (en die zijn niet van het aanvankelijk vermoedde "Castra Herculis").

Arnhem lag aanvankelijk niet zo zeer aan de Nederrijn, maar eerder aan de Jansbeek. De Nederrijn stroomde enkele kilometers verderop. Het toenmalig Bataafse dorp groeide in belang door de ligging. Er woonden boeren: akkerbouwers, veetelers en handwerkslieden. Daar kwamen later smeden en timmerlieden bij. Zo groeide het naar een stedelijke vorm en kreeg 13 juli 1233 stadsrechten van Otto II, Graaf van Gelre en Zutphen. Zo had hij dat met zijn vazallen, edelen en dienstmannen besloten. Tegen de tijd dat Columbus Amerika ontdekte (1492) waren de meeste huizen nog van hout of stro en leem. Ongeveer 70 jaar later (1560) maakte Jacob van Deventer deze kaart van Arnhem. De kaart laat de loop van de beken in die tijd goed zien, en ook een huis aan de Molenbeek. Wat meer details ca 75 jaar later laat deze kaart van Nicolaas van Geelkercken (1634) zien. Steenbakkerijen deden langzaam hun intrede. De gouden eeuw ging in Arnhem gepaard met spinnerij en tabaksteelt op de akkers. In 1740 werd bijvoorbeeld ongeveer 3 miljoen pond gedroogde tabak afgewogen in het waaggebouw aan de Markt. Er kwamen mooie huizen langs de Velperweg en Utrechtseweg. De vestingwerken naar ontwerp van Menno van Coehoorn werden gesloopt in het jaar 1829. (Bron: "Boeren burgers en rijkelui", Kuipers, 1994).